IPF puffersEr zijn maar liefst 150 verschillende inhalatoren voor mensen die iets hebben aan hun luchtwegen. Dat enorme aantal zorgt ervoor dat artsen niet goed weten wat ze moeten voorschrijven. En over het gebruik ontstaat alom verwarring. In een podcast legt NRC uit hoe patiënten bekneld kunnen raken tussen de belangen van de farmaceutische industrie, apothekers,verzekeraars en artsen.

Inhalatoren met een inhoud om benauwdheid ontstekingen tegen te gaan behoren tot de meest verkochte middelen. Het is een hulpmiddel en geneesmiddel ineen. Er gaat in Nederland jaarlijks 350 miljoen euro in om, wereldwijd zo’n vijf miljard.

Er zijn nu in Nederland zo’n 150 verschillende puffers, die in de uitwerking op de klachten weinig van elkaar verschillen, en elk halfjaar komt er eentje bij. De ‘innovatie’ zit meestal in het apparaatje, niet in het medicijn. Terwijl geneesmiddelen uitgebreid en wetenschappelijk moeten worden getest voordat ze op de markt mogen verschijnen, hoeft dat bij hulpmiddelen niet. En fabrikanten doen dat dan ook meestal niet, een eventueel oppervlakkig studietje voor reclamedoeleinden daargelaten.

Verschillen in populariteit zijn er per regio, per arts of ziekenhuis, per apotheker en per verzekeraar. Deels ontstaan die verschillen door gewoonten, maar een ruzie tussen artsen en apothekers in Groningen legde een paar jaar geleden duidelijk bloot dat de diverse geldstromen ook een grote rol spelen. De belangen van de gebruikers, de patiënten, zijn dan soms ondergeschikt.

Bron: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/16/waarom-bestaan-er-150-soorten-puffers-a3967213